Een nieuw lied, of: de Drie Schuine Tamboers
Drie schuine Tamboers, Die kwame van den Oosten,
Zy kwaamen aan de wal om haar te troosten,
| Refr.: |
[Van je] Rombom, wat maal ik er om, Zy kwamen van de Oosten weerom. |
Een van de drie zag daar een aardig meisje,
Hy sprak: "Lief kind, wilt gy met my een reisje."
Hy sprak: "Lief kind, mag ik over u verkeeren,
Ik zal u de marsch- en wagtparade leeren."
Zeg schuine Tamboer, dat moet gy myn vader vragen,
Geeft die het woord van ja, dan kan je my behagen.
Zeg oude man, mag ik uw dochter trouwen?
Zy is in myn oog de pronk van alle vrouwen.
Zeg schuine Tamboer, verhaalt my zonder vrezen,
Als gy myn dochter trouwt, wat zal u rykdom wezen?
Wel oude man, ik zal er niet om jokken,
Myn rykdom is myn trommel en twee stokken.
Met zulk een malle praat wil ik my niet ophouden,
Neen schuin Tamboer, dan kan je myn dochter niet trouwen.
Vader, de Tamboer die is naar myn begeeren,
Het roffelen met de stok wou ik zoo gaarn leeren.
Tegen ouders dank ging zy met den Tamboer trouwen,
Het duurde niet lang of de meid die kreeg berouwen.
Het was daar slecht gesteld, de Tamboer hield van klinken,
Het was gestadig geld voor zwieren en voor drinken.
Kwam hy bezopen thuis dan kreeg zy slagen,
Het trommelen op haar huid, dat kan zy niet verdragen.
Het kyven, schelden, slaan, dat geduurt geheele dagen,
Dat zy ten laatsten kwam al by haar vader klagen.
Toe pak u hier van daan, ik wil geen klagen horen,
Het roffelen met de stok dat kan u hart bekoren.
Zy moest heel ongetroost haar vaders huis verlaten,
En maar te vreden zyn, het klagen kan niet baten.
Dus meisjes hoord na my: wanneer gy wilt gaan trouwen,
Doet dan u vaders zin eer het u mogt berouwen.
